Actuele grondwaterstandindicator

Info

De grondwaterstandindicator is gebaseerd op maandelijkse peilmetingen in het primair meetnet door de VMM, SCK en De Watergroep voor freatische peilfilters met continue meetreeksen van minstens 11 jaar. Die maandelijkse peilmetingen worden aangevuld met dagelijkse modelberekeningen voor de periode 1991- heden.

  • Wil je meer informatie over hoe de grondwaterstandindicator, de kaarten en figuren op deze pagina zijn opgesteld? Neem dan zeker een kijkje op de pagina 'Opbouw grondwaterstandindicator ' en naar de algemene pagina  van de grondwaterstandindicator.
  • Wil je de grafieken en cijfers van de meest actuele indicator meteen op kaart bekijken in de DOV-verkenner? Neem dan een kijkje op de kaartlaag 'Grondwaterstandindicator freatisch grondwater voor de tijd van het jaar (meest actueel)'. 
  • Wil je de rapporten van de afgelopen maanden en jaren bekijken, dat kan bij de 'Historische grondwaterstandindicator'. 
  • De actuele waterschaarste- en droogtetoestand in Vlaanderen kan u vinden op www.opdehoogtevandroogte.be.

datum rapport: 03-04-2026 
referentiedatum: 31-03-2026
aantal gebruikte meetplaatsen: 170

Historische vergelijking

De freatische grondwaterstand schommelt tijdens het jaar: hoog op het einde van de winter en laag op het einde van de zomer. Met de grondwaterstandindicator kijken we naar de toestand van het grondwater t.o.v. alle peilen gedurende het jaar (absolute vergelijking) en de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve vergelijking).

  • Absolute vergelijking: Staat het freatisch grondwater hoog of laag (ten opzichte van alle dagelijkse peilen van de referentieperiode)?

Op 31/03/2026 vertoonde 5% van de meetplaatsen een lage (4%) tot zeer lage (1%) freatische grondwaterstand. 52% vertoonde een normale, en 42% een hoge (35%) tot zeer hoge (7%) grondwaterstand (Figuur 1).

Op Figuur 1 zien we vanaf oktober 2025 — de start van het hydrologisch winterseizoen — een verschuiving van lage naar hoge grondwaterstanden. Het aandeel en de tijdsperiode met hoge grondwaterstanden waren echter in het afgelopen hydrologisch winterseizoen duidelijk beperkter dan in het hydrologisch winterseizoen 2024-2025 als gevolg van het overwegend droger 2025.

Begin april 2026 bevinden we ons op de overgang naar het hydrologisch zomerseizoen. Vanaf april tot eind september is een verschuiving naar klassen met lagere grondwaterstanden de normale trend. Deze verschuiving is momenteel enkel zichtbaar in het aandeel hoge tot zeer hoge grondwaterstanden, dat sinds vorige maand afgenomen is met 20%. Het aandeel lage tot zeer lage freatische grondwaterstanden is echter stabiel gebleven.

Vanaf 01/04/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen dat het aandeel hoge tot zeer hoge grondwaterstanden in het normaal weerscenario kan dalen tot ca. 18%. Bij een droog scenario zou dat aandeel verder kunnen afnemen tot ca. 10% en bij een nat scenario kan dit toenemen tot ca. 53%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 01/04/2026 tot 30/04/2026 met scenario’s voor normaal, nat en droog weer in de rechterkant van Figuur 1.

 

Absolute toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand (t.o.v. alle peilen van de referentieperiode) voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand. In de winter worden vooral hoge grondwaterstanden verwacht, in de zomer vooral lage.
Figuur 1: Absolute toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand (t.o.v. alle peilen van de referentieperiode) voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand. In de winter worden vooral hoge grondwaterstanden verwacht, in de zomer vooral lage.

 

  • Relatieve vergelijking: Wat is de toestand van de freatische grondwaterstand voor de tijd van het jaar?

Op 31/03/2026 vertoonde 46% van de meetlocaties een lage (23%) tot zeer lage (23%), 34% een normale, en 19% een hoge (16%) tot zeer hoge (3%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (Figuur 2).

Op Figuur 2 zien we onder invloed van de optredende droogte vanaf februari 2025 een sterke toename van het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar tot ca. 80% in januari 2026. Vanaf januari 2026 nam het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden opnieuw af tot 46% begin april, voornamelijk ten gevolge van de hoger dan normale neerslaggemiddeldes in februari. In vergelijking met begin april vorig jaar — waar een aandeel van 60% lage tot zeer lage grondwaterstanden waargenomen werd — starten we het hydrologisch zomerseizoen met minder lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden.

Vanaf 01/04/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen aan dat het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar stabiel blijft in het normaal scenario (ca. 48%). Bij een nat scenario zal dat aandeel afnemen tot ca. 10%. Bij een droog scenario kan dit aandeel toenemen tot ca. 74%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 01/04/2026 tot 30/04/2026 voor een normale, natte en droge situatie in de rechterkant van Figuur 2.

Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar, voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand.
Figuur 2: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar, voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand.

 

Figuur 3 toont de grafiek voor de relatieve toestand van 01/04/2000 tot 01/03/2026. In de periode 2017-2020, in het jaar 2022, en ondertussen in het jaar 2025 waren er duidelijk langere periodes met grotere percentages lage tot zeer lage freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. De natte zomer van 2021 en de periode vanaf 2023 tot begin 2025 staan in sterk contrast met de droge periodes ervoor en erna.

Deze (en de verdere) evolutie hangt nauw samen met de hoeveelheid neerslag en verdamping. Samen bepalen ze het neerslagtekort of-overschot. Bij een groter dan normaal neerslagtekort dalen de grondwaterstanden sneller of herstellen ze trager dan normaal, en omgekeerd. Als door klimaatverstoring extreme weersomstandigheden (uitzonderlijk droog of nat) frequenter optreden of langer aanhouden, zal dit zich ook weerspiegelen in de situatie van het freatisch grondwater.

 

Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand
Figuur 3: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand (1/4/2000– 1/3/2026): Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar.

 

Figuur 4 toont de verdeling van de verschillen (op 170 locaties) tussen het gemiddeld grondwaterpeil voor elk individueel seizoen en het gemiddeld peil voor dat seizoen in de referentieperiode 1991-2020. Deze grafiek toont hoeveel de peilen afwijken van het normale niveau voor een bepaald seizoen. In de lente en zomer van 2024 was de gemiddelde grondwaterstand voor de mediane meetplaats ruim 40 cm hoger dan normaal. Ook in de natte periode 2000-2002 was die stand enkele tientallen centimeter hoger dan normaal. In de periode 2017-2020, met uitschieter herfst 2018, was die stand net enkele tientallen centimeter lager dan normaal. Van lente tot winter 2025 was de mediane grondwaterstand opnieuw verschillende tientallen centimeter lager dan normaal.

Figuur 10: Verdeling van de verschillen tussen het grondwaterpeil per seizoen t.o.v. het gemiddeld peil in de referentieperiode voor dat seizoen.
Figuur 4: Verdeling van de verschillen tussen het grondwaterpeil per seizoen t.o.v. het gemiddeld peil in de referentieperiode voor dat seizoen.

Is het freatische grondwater gestegen of gedaald ?

Op 31/03/2026 waren op 18% van de meetplaatsen de (absolute) freatische grondwaterstanden gestegen t.o.v. een maand eerder. Op 17% van de resterende meetplaatsen bleven de peilen stabiel terwijl ze op 65% daalden. De overwegende daling van de peilen is te wijten aan de drogere dan normale maand maart. Begin april bevinden we ons op de overgang van het hydrologisch winterseizoen naar het hydrologisch zomerseizoen. Vanaf april tot eind september (het hydrologisch zomerseizoen) is een verschuiving naar klassen met lagere (absolute) grondwaterstanden de normale trend.

Zoals hierboven vermeld vertoonde 46% van de meetlocaties een lage (23%) tot zeer lage (23%), 34% een normale, en 19% een hoge (16%) tot zeer hoge (3%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (op 31/03/2026).

Figuur 5 toont de relatieve grondwaterstandindicator met stijgende/dalende peilen.

Huidige grondwaterstandsveranderingen en relatieve situering van de huidige freatische grondwaterstand.
Figuur 5: Huidige grondwaterstandsveranderingen en relatieve situering van de huidige freatische grondwaterstand.

Worden er volgende maand zeer lage of zeer hoge freatische grondwaterstanden verwacht?

Volgende maand verwachten we bij nat weer op 22% van de meetplaatsen zeer hoge grondwaterstanden (>P90) voor de tijd van het jaar. Bij normaal en droog weer wordt dat percentage 2 en 0,6% van de meetplaatsen. Die meetplaatsen liggen verspreid over Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 6).

Meetplaatsen waar volgende maand zeer hoge (>P90) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.
Figuur 6: Meetplaatsen waar volgende maand zeer hoge (>P90) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.

 

Volgende maand verwachten we bij droog weer op 51% van de meetplaatsen zeer lage (<P10) grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Bij normaal en nat weer wordt dat percentage 25 en 4%. Veel van die meetplaatsen bevinden zich in het noorden van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 7).

Meetplaatsen waar volgende maand zeer lage (<P10) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.
Figuur 7: Meetplaatsen waar volgende maand zeer lage (<P10) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.

Besluit freatisch grondwater

Hoewel begin 2026 gekenmerkt werd door toenemende klasses hoge en normale relatieve grondwaterstanden wegens hoger dan normale neerslaggemiddeldes, zijn de gevolgen van het droog 2025 nog merkbaar. De start van het hydrologisch zomerseizoen wordt hiermee ingezet met overwegend lager dan normale grondwaterstanden voor de tijd van het jaar: op 31/03/2026 vertoonde 46% van de meetlocaties een lage tot zeer lage, 34% een normale, en 19% een hoge tot zeer hoge grondwaterstand. Daarmee starten we wel beter dan begin april vorig jaar waar voor 60% lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden waargenomen werden.

Meer info over de werking van het grondwatersysteem (en de betekenis van lage grondwaterstanden) vind je in dit filmpje. Op dov.vlaanderen.be vind je alle grondwaterstanden, de huidige toestand en de interactieve kaart voor het freatische grondwater.