Sla navigatie over
figuur welkom bij DOV
over DOV | contact aansprakelijkheid DOV-publicaties | englishEngelse teksten |
 

thema's

data aanleveren

data verkennen
data en metadata

meer info

 

 


 

De grondwaterstand op DOV

 

 

Het grondwaterpeil schommelt van dag tot dag

Het grondwaterpeil fluctueert doorheen het jaar. Gewoonlijk wordt het minst diepe punt bereikt eind maart en het diepste eind september. Daarnaast varieert het grondwaterpeil van jaar tot jaar. Het waterpeil dat bijvoorbeeld eind maart bereikt wordt, is afhankelijk van de weerscondities in de periode die eraan vooraf gaat en die weerscondities zijn elk jaar lichtjes anders.

De freatische grondwaterstandsindicator op de website van DOV beschrijft die peilschommelingen. De indicator geeft voor iedere dag weer of het grondwaterpeil op die dag zeer hoog, hoog, normaal, laag of zeer laag was. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve indicator) en de toestand in absolute zin, dat wil zeggen, vergeleken met de peilvariatie die de voorbije 30 jaar heeft plaatsgevonden.

De gemiddelde seizoensfluctuatie van het grondwaterpeil is te karakteriseren met twee variabelen: de gemiddelde hoogste en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GHG en GLG), uitgedrukt in meter onder maaiveld (m-mv).

 

Lees meer

Hoe bepaal ik de gemiddelde grondwaterstand op een welbepaalde plaats?

De GHG, GLG en het gemiddelde grondwaterpeil verschillen sterk van plaats tot plaats omdat ze beïnvloed worden door lokale condities zoals de aanwezigheid van (buis)drainage, gronwaterwinningen, al dan niet opgestuwde waterlopen en grachten, enz.

Gedetailleerde gebiedsdekkende informatie is niet beschikbaar voor al deze fenomenen, maar er zijn wel twee manieren om een ruwe inschatting te maken van de grondwaterstand op een welbepaalde plaats: met behulp van peilmetingen en op basis van de Bodemkaart van België.

 

Met peilmetingen

Grondwaterpeilingen die de VMM en een aantal andere organisaties uitvoeren zijn voor iedereen beschikbaar op DOV via de verkenner. Je kan DOV-meetpunten in de omgeving selecteren en op basis daarvan een inschatting maken van de grondwaterstand op de plaats die je wil onderzoeken. Let bij de keuze van de meetpunten wel op volgend zaken:

  • Meetpunten hebben soms meerdere meetfilters op verschillende dieptes. Neem steeds de data die horen bij de meest ondiepe filter en beperk de selectie sowieso tot de freatische filters (voeg bijvoorbeeld regime = 'Freatisch' toe aan je query).
  • Kies bij voorkeur een meetpunt op een gelijkaardige landschappelijke positie. Bijvoorbeeld: om de grondwaterstand in een vallei in te schatten gebruik je best een peilput die eveneens binnen de vallei ligt. De bodemkaart is hier een handig hulpmiddel: kies een meetpunt met hetzelfde bodemtype als de plaats die je wil onderzoeken.

Waterlopen, bronnen, vijvers en moerasgebieden kunnen eveneens een indicatie geven van de grondwaterstand in hun directe omgeving, voor zover deze oppervlaktewaters niet afgesloten zijn van het grondwater (folie, beton,…). Voor sommige waterlopen zijn er peilmetingen beschikbaar op www.waterinfo.be. Elders kan het waterpeil ingeschat worden aan de hand van de hoogte van het maaiveld aangegeven op het DHM.



Je kan dan het gemiddeld peil berekenen van de peilfilters en oppervlaktewaterpeilen die je geselecteerd hebt. Dat geeft al een eerste idee van de diepte van de grondwaterstand. Je kan ook een meer geavanceerde intrapolatietechniek toepassen.

 

Lees meer

Voorbeeld interpolatie stijghoogte

Figuur 2: Voorbeeld van interpolatie van stijghoogte. Op de locatie die exact in het midden tussen Put 1 en Put 2 gelegen is, is de geïnterpoleerde stijghoogte net het gemiddelde van beide stijghoogtes



In boor- en sondeerrapporten wordt soms de grondwaterstand vermeld. Die vind je door de lagen met boringen en sonderingen aan te zetten in de DOV-verkenner. De grondwaterstand die hier vermeld staat, is minder betrouwbaar dan de metingen in de peilputten. Bovendien gaat het slechts om één enkele waarneming, op het moment van de boring, terwijl de grondwaterstand aanzienlijk kan schommelen doorheen het jaar (tot meerdere meters). Grondwaterstanden uit boor- en sondeerrapporten zijn dus slechts indicatief en moeten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.



Met de bodemkaart

De Bodemkaart (1:20.000) van België kan een eerste indicatie geven van de grondwaterdynamiek die op een bepaalde plaats te verwachten is.

Lees meer

 

De gepubliceerde bodemkaart heeft als schaal 1:20.000 en kan worden geraadpleegd in de bodemverkenner op DOV. Je dient in te zoomen tot 1:150.000 om alle detailinfo van de bodemkaart te kunnen raadplegen. De dataset van de bodemkaart is omwille van de visualisatie onderverdeeld in 5 kaartlagen:

  • bodemtypes
  • substraten
  • fasen
  • varianten van het moedermateriaal
  • varianten van de profielontwikkeling

 

De kaartlaag 'bodemtypes' bevat alle info van de bodemkaart (op te vragen door in de resultatentabel te klikken op de blauw gekleurde lettercode van het bodemtype).

 

De bodemtypes worden op de bodemkaart van België weergegeven als een code, waarbij de eerste hoofdletter van de code de textuurklasse weergeeft, gevolgd door twee letters die respectievelijk de drainageklasse en de profielontwikkelingsgroep weergeven. Deze 3 letters vormen samen het kerndeel (=bodemserie) van het bodemtype. Het bodemtype bevat daarnaast ook andere mogelijke letters of cijfers voor of na dit kerndeel die een substraat, fase of varianten van het moedermateriaal of de profielontwikkeling specifiëren.

Voor een inschatting van de grondwaterstand zijn voornamelijk de textuurletter en de drainageklasse van belang. De drainageklasse werd bij de bodemkartering niet bepaald op basis van gemeten grondwaterstanden, maar op basis van bodemkenmerken. Gleyverschijnselen (roestvlekken afgewisseld met bleke vlekken) komen voor in de zone de afwisselend nat en droog is (schommelende grondwaterstand). Reductieverschijnselen (blauwe en grijze tinten) zijn kenmerkend voor de permanente waterverzadigde zone.

 

Indicatieve waarden voor de GHG en de GLG per bodemtype zijn weergegeven in onderstaande tabel. De gemiddelde absolute fout op de GHG bedraagt ongeveer 25 cm, voor de GLG is de fout ongeveer half zo groot.

 

Indicatieve waarden voor de GHG en GLG per textuur- en drainageklasse. Gebaseerd op de diepte van roest (indicatief voor GHG) en reductie (indicatief voor GLG) per drainageklasse en de definitie van drainagecomplexen, zoals aangegeven op p. 15 in Van Ranst, E., Sys, C., 2000 (2).

 

Drainageklasse

Zware texturen

Lichte texturen

Textuurklasse: L (zandleem), A (leem), E (klei), U (zware klei), G (stenige gronden) Textuurklasse: Z (zand), S (lemig zand), P (licht zandleem)
GHG (cm-mv) GLG (cm-mv) GHG (cm-mv) GLG (cm-mv)
.a. >125 >125 >120 >125
.b. >125 >125 90-120 >125
.c. >80 >125 60-90 >125
.e. 20-50 >80 20-40 >100
.f. 0-20 40-80 0-20 50-100
.g. 0 <40 0 <50
.h. 20-50 >125 20-40 >125
.i. 0-20 >125 0-20 >125
.A. Van 50 tot >125 >125 Van 40 tot >120 >125
.B. >125 >125 Van 90 tot >120 >125
.D. Van 50 tot >80 >125 40-90 >125
.F. 0-50 Van 40 tot >80 0-40 Van 50 tot >100
.G. 0-50 Van 40 tot >125 0-40 Van 50 tot >125
.H. 0-50 Van <40 tot >125 0-40 Van <50 tot >125
.I. 0-50 >125 0-40 >125


Op sommige plaatsen, voornamelijk in bebouwde percelen (ten tijde van de bodemkartering) en in de zeepolders, is de bodemclassificatie anders opgesteld en kan er geen informatie over de grondwaterstand uit de Bodemkaart gehaald worden. In de zeepolders is het grondwaterpeil bovendien sterk beïnvloed door drainagegrachten en -buizen.

 

Lees meer

Is mijn perceel gelegen in een overstromingsgevoelig gebied?

De kaart van de overstromingsgevoelige gebieden moet sinds 1 maart 2012 verplicht geraadpleegd worden bij het toepassen van de watertoets. Het al dan niet gelegen zijn in overstromingsgevoelig gebied bepaalt immers mee of de adviesvraag aan de waterbeheerder verplicht is of niet.

 

De watertoetskaart met overstromingsgevoelige gebieden toont waar er in Vlaanderen overstromingen mogelijk zijn. De kaart maakt een onderscheid tussen effectief overstromingsgevoelige gebieden (donkerblauw) en mogelijk overstromingsgevoelige gebieden (lichtblauw).

 

  • Effectief overtromingsgevoelige gebieden zijn gebieden die recent overtroomd zijn of gebieden die een aanzienlijke kans hebben om te overstromen.
  • Mogelijk overstromingsgevoelige gebieden zijn gebieden waar alleen overstromingen mogelijk zijn bij zeer extreme weersomstandigheden of falen van waterkeringen zoals bij dijkbreuken.
  •  

    Risicozones voor overstromingen en overstromingsgevoelige gebieden volgens de watertoets

     

    Figuur 3: Risicozones voor overstromingen en overstromingsgevoelige gebieden volgens de watertoets

     

    Meer informatie over de watertoets kan je vinden op www.watertoets.be.

     

    Infiltratiecapaciteit

    De infiltratiecapaciteit is de doorlaatbaarheid van de bodem. Deze capaciteit van de ondergrond hangt nauw samen met het soort ondergrond.

    In de code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen, deel 3: bronmaatregelen, kan je een tabel terugvinden met de infiltratiecapaciteit per grondsoort.

    Dit zijn slechts ruwe inschattingen, waarbij de grondsoort als gekend verondersteld wordt. De bodemstructuur heeft bijvoorbeeld ook een sterke invloed op de infiltratiecapaciteit.

    Om meer zekerheid te hebben, kunnen infiltratietesten in situ een hulpmiddel zijn om een correctere inschatting te maken. Meer info kan u vinden in de Toelichting bij de Code van goede praktijk voor het ontwerp van rioleringssystemen.