Actuele grondwaterstandindicator

Info

De grondwaterstandindicator is gebaseerd op maandelijkse peilmetingen in het primair meetnet door de VMM, SCK en De Watergroep voor freatische peilfilters met continue meetreeksen van minstens 11 jaar. Die maandelijkse peilmetingen worden aangevuld met dagelijkse modelberekeningen voor de periode 1991- heden.

  • Wil je meer informatie over hoe de grondwaterstandindicator, de kaarten en figuren op deze pagina zijn opgesteld? Neem dan zeker een kijkje op de pagina 'Opbouw grondwaterstandindicator ' en naar de algemene pagina  van de grondwaterstandindicator.
  • Wil je de grafieken en cijfers van de meest actuele indicator meteen op kaart bekijken in de DOV-verkenner? Neem dan een kijkje op de kaartlaag 'Grondwaterstandindicator freatisch grondwater voor de tijd van het jaar (meest actueel)'. 
  • Wil je de rapporten van de afgelopen maanden en jaren bekijken, dat kan bij de 'Historische grondwaterstandindicator'. 
  • De actuele waterschaarste- en droogtetoestand in Vlaanderen kan u vinden op www.opdehoogtevandroogte.be.

datum rapport: 03-08-2026
referentiedatum: 02-08-2026
aantal gebruikte meetplaatsen: 170

Historische vergelijking

De freatische grondwaterstand schommelt tijdens het jaar: hoog op het einde van de winter en laag op het einde van de zomer. Met de grondwaterstandindicator kijken we naar de toestand van het grondwater t.o.v. alle peilen gedurende het jaar (absolute vergelijking) en de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve vergelijking).

  • Absolute vergelijking: Staat het freatisch grondwater hoog of laag (t.o.v. alle dagelijkse peilen van de referentieperiode)?

Op 02/08/2026 vertoonde 87% van de meetplaatsen een lage (16%) tot zeer lage (71%) freatische grondwaterstand. 11% vertoonde een normale en 2% een hoge grondwaterstand. Er zijn geen zeer hoge grondwaterstanden waargenomen (Figuur 1).

Op Figuur 1 zien we dat de verschuiving van lage naar hoge grondwaterstanden tijdens het afgelopen hydrologisch winterseizoen (oktober 2025- maart 2026) beperkt was. Zowel het aandeel als de duur van hoge grondwaterstanden waren duidelijk kleiner dan tijdens het hydrologisch winterseizoen 2024-2025. Dit is het gevolg van het overwegend droge jaar 2025, dat volgde op het uitzonderlijk natte jaar 2024.

Begin augustus 2026 bevinden we ons in het hydrologisch zomerseizoen (april-september), waarin grondwaterstanden normaal geleidelijk dalen. Sinds begin april is het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden toegenomen tot ongeveer 87%. Dat aandeel ligt nu al hoger dan het maximum dat in het droge jaar 2025 werd bereikt (82% in september 2025) en ruim boven het maximum van het natte jaar 2024 (36% in september 2024).

De scenariogebaseerde voorspellingen tot 02/09/2026 tonen dat lage tot zeer lage grondwaterstanden de komende maand in alle weerscenario’s blijven domineren. Bij droog weer kan dat aandeel oplopen tot meer dan 90%, terwijl het bij nat weer kan afnemen tot iets meer dan 80%. De scenariogebaseerde voorspelling voor de periode 03/08/2026-02/09/2026, met scenario’s voor normale, natte en droge weersomstandigheden, is weergegeven in het rechterdeel van Figuur 1.
 

Absolute toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand (t.o.v. alle peilen van de referentieperiode) voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand. In de winter worden vooral hoge grondwaterstanden verwacht, in de zomer vooral lage.
Figuur 1: Absolute toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand (t.o.v. alle peilen van de referentieperiode) voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand. In de winter worden vooral hoge grondwaterstanden verwacht, in de zomer vooral lage.

 

  • Relatieve vergelijking: Wat is de toestand van de freatische grondwaterstand voor de tijd van het jaar?

Op 02/08/2026 vertoonde 81% van de meetlocaties een zeer lage (56%) tot lage (25%), 16% een normale, en 3% een hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar. Als gevolg van de zeer droge en warme juli nam het aandeel ’laag tot zeer laag’ de afgelopen maand sterk toe met 31 %-punt. Dat gebeurde ten koste van de aandelen normaal/hoog/zeer hoog (Figuur 2).

Figuur 2 illustreert duidelijk de invloed van de weersomstandigheden op het freatische grondwater. Het uitzonderlijk natte jaar 2024 werd gekenmerkt door grote aandelen hoge tot zeer hoge grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Door de zeer droge lente en zomer van 2025 kregen lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden vervolgens de overhand. Nattere periodes in de eerste helft van 2026 temperden dat beeld enigszins, maar de zeer droge maanden april en juli zorgden uiteindelijk opnieuw voor een groot overwicht aan lage tot zeer lage relatieve grondwaterstanden.

De scenariogebaseerde voorspellingen tot 02/09/2026 tonen dat lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar de komende maand in alle weerscenario’s blijven domineren. Bij droog weer kan dat aandeel oplopen tot ca. 85%, terwijl het bij nat weer kan afnemen tot ca. 55%. De scenariogebaseerde voorspelling voor de periode 03/08/2026-02/09/2026, met scenario’s voor normale, natte en droge weersomstandigheden, is weergegeven in het rechterdeel van Figuur 2.
 

Figuur 2: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar, voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand.
Figuur 2: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand: Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar, voor de afgelopen 2 jaar + scenariogebaseerde voorspelling voor de komende maand.

 

Figuur 3 toont de evolutie van de relatieve toestand van 01/01/2000 tot 01/08/2026. In de periode 2017-2020, in het jaar 2022, en opnieuw vanaf 2025 tot heden kwamen langdurige periodes met grote aandelen lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar voor. In die periodes waren langere fasen met overwegend normale tot hoge grondwaterstanden eerder uitzondering dan regel. De natte periode begin jaren 2000, de natte zomer van 2021 en de periode vanaf 2023 tot begin 2025 staan in sterk contrast met de droge periodes ervoor en erna.

Deze evolutie hangt nauw samen met de hoeveelheid neerslag en verdamping. Samen bepalen ze het neerslagtekort of-overschot. Bij een groter dan normaal neerslagtekort dalen de grondwaterstanden sneller of herstellen ze trager dan normaal, en omgekeerd. Als door de klimaatverstoring uitzonderlijk droge of natte periodes vaker voorkomen of langer aanhouden, zal dit zich ook weerspiegelen in de toestand van het freatische grondwater.

Figuur 3: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand (2000-heden): Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar.
Figuur 3: Relatieve toestand van de freatische grondwaterstand (2000-heden): Percentage van de meetplaatsen met een zeer lage, lage, normale, hoge of zeer hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar.

 

Figuur 4 toont de verdeling van de verschillen (op 170 locaties) tussen het gemiddelde grondwaterpeil voor elk individueel seizoen en het gemiddelde peil voor datzelfde seizoen tijdens de referentieperiode 1991-2020. Deze grafiek toont in welke mate de grondwaterpeilen afwijken van het normale niveau voor een bepaald seizoen. In de lente en zomer van 2024 lag de gemiddelde grondwaterstand van de mediane meetplaats ruim 40 cm hoger dan normaal. Ook in de natte periode 2000-2002 lag die grondwaterstand enkele tientallen centimeter hoger dan normaal. In de periode 2017-2020, met als uitschieter de herfst van 2018, lag die grondwaterstand net enkele tientallen centimeter lager dan normaal. Vanaf de lente van 2025 tot heden is de grondwaterstand opnieuw duidelijk lager dan normaal.

Figuur 4: Verdeling van de verschillen tussen het grondwaterpeil per seizoen t.o.v. het gemiddeld peil in de referentieperiode voor dat seizoen.
Figuur 4: Verdeling van de verschillen tussen het grondwaterpeil per seizoen t.o.v. het gemiddeld peil in de referentieperiode voor dat seizoen.

 

Is het freatische grondwater gestegen of gedaald ?

Op 02/08/2026 waren op 97% van de meetplaatsen de (absolute) freatische grondwaterstanden gedaald t.o.v. een maand eerder. Op 3% van de meetplaatsen bleven de peilen stabiel. Begin augustus bevinden we ons in het hydrologisch zomerseizoen (april-september). Een verschuiving naar klassen met lagere (absolute) grondwaterstanden is dan de normale trend.

Zoals hiervoor vermeld, vertoonde na de zeer droge en warme juli 81% van de meetlocaties een zeer lage (56%) tot lage (25%), 16% een normale, en 3% een hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar. Zeer hoge grondwaterstanden werden niet waargenomen. De weinige locaties met een normale tot hoge grondwaterstand komen vooral in de oostelijke helft van Vlaanderen voor.

Figuur 5 toont de relatieve grondwaterstandindicator in combinatie met de recente stijging of daling van de grondwaterstand.

Figuur 5: Huidige grondwaterstandsveranderingen en relatieve situering van de huidige freatische grondwaterstand.
Figuur 5: Huidige grondwaterstandsveranderingen en relatieve situering van de huidige freatische grondwaterstand.

 

Worden er volgende maand zeer lage of zeer hoge freatische grondwaterstanden verwacht?

Volgende maand verwachten we quasi nergens zeer hoge grondwaterstanden (>P90) voor de tijd van het jaar, ook niet bij nat weer (Figuur 2 en Figuur 6).

 

Figuur 6: Meetplaatsen waar volgende maand zeer hoge (>P90) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.
Figuur 6: Meetplaatsen waar volgende maand zeer hoge (>P90) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.

 

Volgende maand verwachten we bij droog weer op 65% van de meetplaatsen zeer lage (<P10) grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Bij normaal en nat weer wordt dat percentage respectievelijk 34 en 20%. Deze meetplaatsen liggen verspreid over Vlaanderen. Locaties waar geen zeer lage relatieve grondwaterstanden worden verwacht, bevinden zich voornamelijk in de oostelijke helft van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 7).

Figuur 7: Meetplaatsen waar volgende maand zeer lage (<P10) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.
Figuur 7: Meetplaatsen waar volgende maand zeer lage (<P10) freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verwacht worden.

 

Besluit freatisch grondwater

Juli was zeer droog en warm. Daardoor nam het aandeel meetlocaties met lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar de afgelopen maand sterk toe van 50% tot 81%. Op 02/08/2026 vertoonde 81% van de meetlocaties een zeer lage (56%) tot lage (25%), 16% een normale, en 3% een hoge grondwaterstand voor de tijd van het jaar. Zeer hoge grondwaterstanden werden niet waargenomen.

Meer info over de werking van het grondwatersysteem (en de betekenis van lage grondwaterstanden) vind je in dit filmpje. Op dov.vlaanderen.be vind je alle grondwaterstanden, de huidige toestand en de interactieve kaart voor het freatische grondwater.