Actuele grondwaterstandindicator
Info
De grondwaterstandindicator is gebaseerd op maandelijkse peilmetingen in het primair meetnet door de VMM, SCK en De Watergroep voor freatische peilfilters met continue meetreeksen van minstens 11 jaar. Die maandelijkse peilmetingen worden aangevuld met dagelijkse modelberekeningen voor de periode 1991- heden.
- Wil je meer informatie over hoe de grondwaterstandindicator, de kaarten en figuren op deze pagina zijn opgesteld? Neem dan zeker een kijkje op de pagina 'Opbouw grondwaterstandindicator ' en naar de algemene pagina van de grondwaterstandindicator.
- Wil je de grafieken en cijfers van de meest actuele indicator meteen op kaart bekijken in de DOV-verkenner? Neem dan een kijkje op de kaartlaag 'Grondwaterstandindicator freatisch grondwater voor de tijd van het jaar (meest actueel)'.
- Wil je de rapporten van de afgelopen maanden en jaren bekijken, dat kan bij de 'Historische grondwaterstandindicator'.
- De actuele waterschaarste- en droogtetoestand in Vlaanderen kan u vinden op www.opdehoogtevandroogte.be.
datum rapport: 04-03-2026
referentiedatum: 01-03-2026
aantal gebruikte meetplaatsen: 170
Historische vergelijking
De freatische grondwaterstand schommelt tijdens het jaar: hoog op het einde van de winter en laag op het einde van de zomer. Met de grondwaterstandindicator kijken we naar de toestand van het grondwater t.o.v. alle peilen gedurende het jaar (absolute vergelijking) en de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve vergelijking).
Absolute vergelijking: Staat het freatisch grondwater hoog of laag (ten opzichte van alle dagelijkse peilen van de referentieperiode)?
Op 01/03/2026 vertoonde 6% van de meetplaatsen een lage (4%) tot zeer lage (2%) freatische grondwaterstand. 32% vertoonde een normale, en 62% een hoge (43%) tot zeer hoge (19%) grondwaterstand (Figuur 1).
Op Figuur 1 zien we van april tot september 2025 een verschuiving van hoge naar lage grondwaterstanden. Deze situatie keert om in oktober 2025 waarbij het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden afneemt en het aandeel normale grondwaterstanden toeneemt. Vanaf oktober bevinden we ons in het hydrologisch winterseizoen (oktober-maart). Een verschuiving naar klassen met hogere grondwaterstanden is dan de normale trend. Het aandeel (zeer) hoge grondwaterstanden is sinds januari 2026 verder toegenomen van ca. 10% naar 62% begin maart 2026.
Als we de huidige situatie vergelijken met deze op begin maart 2025 zien we dat het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden in maart 2025 ongeveer 1% bedraagt terwijl dit aandeel begin maart 2026 ongeveer 6% is. Deze cijfers liggen dichtbij elkaar maar zijn het gevolg van een tegengestelde situatie die hieraan voorafging. Het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden in maart 2025 wordt nl. voorafgegaan door een vroegere en sterke toename van het aandeel (zeer) hoge grondwaterstanden in het najaar van 2024, gevolgd door een drogere februari dan normaal. Het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden in maart 2026 wordt voorafgegaan door een zeer sterke toename van (zeer) lage grondwaterstanden in de zomer van 2025, een latere en zwakkere toename van het aandeel (zeer) hoge grondwaterstanden in het najaar 2025 gevolgd door een normale maand januari en een nattere februari 2026 dan normaal.
Vanaf 02/03/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen dat het aandeel hoge tot zeer hoge grondwaterstanden in het normaal weerscenario kan toenemen tot ca. 68%. Bij een droog scenario zou dat aandeel kunnen afnemen tot circa 30% en bij een nat scenario kan dit toenemen tot circa 80%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 02/03/2026 tot 01/04/2026 met scenario’s voor normaal, nat en droog weer in de rechterkant van Figuur 1.
Relatieve vergelijking: Wat is de toestand van de freatische grondwaterstand voor de tijd van het jaar?
Op 01/03/2026 vertoonde 37% van de meetlocaties een lage (23,5%) tot zeer lage (13,5%), 35% een normale, en 28% een hoge (23,5%) tot zeer hoge (4,7%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (Figuur 2).
Op Figuur 2 zien we van april 2024 tot begin maart 2025 vooral hoger dan normale grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Daarna zien we onder invloed van de optredende droogte vanaf februari 2025 een sterke toename van het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar tot ca. 80% in januari 2026. Vanaf januari 2026 neemt het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden opnieuw af tot 35% begin maart. Het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar is veel groter dan begin maart 2024 en 2025.
Vanaf 02/03/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen aan dat het aandeel hoge tot zeer hoge grondwaterstanden voor de tijd van het jaar verder kan toenemen tot ca. 67% in het natte scenario. Bij een normaal scenario zal dat aandeel toenemen tot ca. 45%. Bij een droog scenario kan dit aandeel afnemen tot ca. 10%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 02/03/2026 tot 01/04/2026 voor een normale, natte en droge situatie in de rechterkant van Figuur 2.
Figuur 3 toont de grafiek voor de relatieve toestand van 01/04/2000 tot 01/03/2026. In de periode 2017-2020, in het jaar 2022, en ondertussen in het jaar 2025 waren er duidelijk langere periodes met grotere percentages lage tot zeer lage freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. De natte zomer van 2021 en de periode vanaf 2023 tot begin 2025 staan in sterk contrast met de droge periodes ervoor en erna.
Deze (en de verdere) evolutie hangt nauw samen met de hoeveelheid neerslag en verdamping. Samen bepalen ze het neerslagtekort of-overschot. Bij een groter dan normaal neerslagtekort dalen de grondwaterstanden sneller of herstellen ze trager dan normaal, en omgekeerd. Als door klimaatverstoring extreme weersomstandigheden (uitzonderlijk droog of nat) frequenter optreden of langer aanhouden, zal dit zich ook weerspiegelen in de situatie van het freatisch grondwater.
Figuur 4 toont de verdeling van de verschillen (op 170 locaties) tussen het gemiddeld grondwaterpeil voor elk individueel seizoen en het gemiddeld peil voor dat seizoen in de referentieperiode 1991-2020. Deze grafiek toont hoeveel de peilen afwijken van het normale niveau voor een bepaald seizoen. In de lente en zomer van 2024 was de gemiddelde grondwaterstand voor de mediane meetplaats ruim 40 cm hoger dan normaal. Ook in de natte periode 2000-2002 was die stand enkele tientallen centimeter hoger dan normaal. In de periode 2017-2020, met uitschieter herfst 2018, was die stand net enkele tientallen centimeter lager dan normaal. Van lente tot winter 2025 was de mediane grondwaterstand opnieuw verschillende tientallen centimeter lager dan normaal.
Is het freatische grondwater gestegen of gedaald ?
Op 01/03/2026 waren op 92% van de meetplaatsen de (absolute) freatische grondwaterstanden gestegen t.o.v. een maand eerder. Op 5% van de resterende meetplaatsen bleven de peilen stabiel terwijl ze op 3% verder daalden. Begin maart bevinden we ons nog in het hydrologische winterseizoen (oktober-maart), waarin een verschuiving naar klassen met hogere (absolute) grondwaterstanden de normale trend is.
Februari 2026 was veel natter, maar ook warmer dan normaal. Het merendeel van de freatische grondwaterstanden zijn gestegen en er heeft zich een verschuiving plaatsgevonden naar normale en hoger dan normale klassen ten opzichte van vorige maand. Zoals hierboven vermeld vertoonde 37% van de meetlocaties een lage (23,5%) tot zeer lage (13,5%), 35% een normale, en 28% een hoge (23,5%) tot zeer hoge (4,7%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (op 01/03/2026).
Figuur 5 toont de relatieve grondwaterstandindicator met stijgende/dalende peilen.
Worden er volgende maand zeer lage of zeer hoge freatische grondwaterstanden verwacht?
Volgende maand verwachten we bij nat weer op 39% van de meetplaatsen zeer hoge grondwaterstanden (>P90) voor de tijd van het jaar. Bij normaal en droog weer wordt dat percentage 24 en 3% van de meetplaatsen. Die meetplaatsen liggen verspreid over Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 6).
Volgende maand verwachten we bij droog weer op 26% van de meetplaatsen zeer lage (<P10) grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Bij normaal en nat weer wordt dat percentage 10 en 4%. Veel van die meetplaatsen bevinden zich in het noorden van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 7).
Besluit freatisch grondwater
Na een droog 2025 met overwegend lagere grondwaterstanden dan normaal, is de freatische grondwaterstand op 92% van de meetplaatsen gestegen als gevolg van de normale hoeveelheid neerslag in januari en een zeer natte februarimaand. Op 01/03/2026 vertoonde 37% van de meetlocaties een lage (23,5%) tot zeer lage (13,5%), 35% een normale, en 28% een hoge (23,5%) tot zeer hoge (4,7%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar.
Meer info over de werking van het grondwatersysteem (en de betekenis van lage grondwaterstanden) vind je in dit filmpje. Op dov.vlaanderen.be vind je alle grondwaterstanden, de huidige toestand en de interactieve kaart voor het freatische grondwater.