Geologisch Paspoort van de Vlaamse ondergrond
De Vlaamse ondergrond herbergt een grote hoeveelheid aan geologische formaties en leden. Deze worden formeel gedefinieerd door de Nationale Stratigrafische Commissie (https://ncs.naturalsciences.be/) en besproken in allerhande publicaties (e.g. Gullentops et al., 2001; Laga et al., 2001; Vandenberghe & Louwye, 2020). Toch is het niet altijd eenvoudig om geologische lagen geobserveerd in ontsluitingen of boringen correct te interpreteren en in de juiste eenheid onder te brengen. Interne, verticale of laterale, variaties binnen eenheden die soms onderlinge verschillen tussen eenheden overstijgen maken dit nog complexer.
Het is daarom van belang om een omvattende dataset aan te leggen waarin data van verschillende gemeten parameters verzameld worden voor alle Vlaamse geologische lagen. Dit wordt een referentiedatabank van de Vlaamse ondergrond. Zo ’n dataset dient voor een betere kwantitatieve karakterisering van de eenheden, die zal helpen bij het correct interpreteren van geologische eenheden maar ook bij het beter inschatten van het potentieel van de verschillende eenheden voor allerhande toepassingen. Ook voor (3D) modelleringen van sedimenteigenschappen is een uitgebreide en betrouwbare dataset van belang.
Het Geologisch Paspoort wordt uitgewerkt per geologische formatie, en waar mogelijk worden ook de leden afzonderlijk besproken. Niet voor elke geologische formatie werden reeds pagina’s uitgewerkt. Dit wordt continu aangevuld en ook de bestaande pagina’s worden aangevuld wanneer nieuwe informatie beschikbaar is. Het Geologisch Paspoort van een formele geologische eenheid bevat naast de beschikbare data uit de referentiedatabank een link naar: 1) de formele stratigrafische definitie door de Nationale Stratigrafische Commissie, 2) voorkomenskaarten van de eenheid of subeenheden, 3) stratigrafische referentiesecties, 4) andere belangrijke boringen en ontsluitingen die beschikbaar zijn op DOV, 5) andere databronnen en 6) de voornaamste literatuurreferenties. Belangrijk is dat de formele definities en bijhorende standaardbeschrijvingen van geologische eenheden worden uitgewerkt door de Nationale Stratigrafische Commissie. Dit Geologisch Paspoort dient dan ook als aanvulling op de bestaande definities en beschrijvingen van de commissie, en niet als vervanging.
Data download referentiedatabank
De Vlaamse Geotheek herbergt een grote hoeveelheid grondmonsters en wordt continu uitgebreid met kwalitatieve stalen. De monsters in de Geotheek vormen dan ook de primaire bron voor het uitbreiden van de referentiedatabank. Daarnaast worden in het Geologisch Paspoort naast deze kwantitatieve data ook koppelingen gegeven naar type beschrijvingen van de geologische éénheden zoals ze voorkomen in ontsluitingen en boringen, waar mogelijk.
De referentiedatabank wordt jaarlijks geüpdatet en de nieuwe data stromen dan ook door naar het Geologisch Paspoort. De meest recente versie van de referentiedatabank werd gepubliceerd in het rapport "Een referentiedatabank van de Vlaamse ondergrond - V2025". Dit onderzoek vormt een startpunt voor het ontsluiten van de grote hoeveelheid informatie verborgen in deze grondmonsters. Het rapport bevat resultaten van verschillende labo-analyses uitgevoerd op 597 grondmonsters, afkomstig van (on)geroerde boringen of ontsluitingen uit de Geotheek. Al de stalen werden geanalyseerd volgens dezelfde methodes, wat de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de resultaten ten goede komt. Ondanks het groot aantal uitgevoerde analyses werden nog niet alle Vlaamse geologische eenheden bemonsterd. Ook voor eenheden waarvoor er slechts een beperkt aantal stalen geanalyseerd werden, kunnen de resultaten niet als referentie beschouwd worden. De resultaten dienen dan ook slechts als een eerste aanzet voor de uitbouw van een allesomvattende dataset, die in de toekomst continu aangevuld zal worden.
Enkele algemene resultaten:
De verdeling van de mediane korrelgrootte van de onderzochte eenheden toont een beduidend fijnere korrelgrootte in de lagen van de Ieper Groep (onder Eoceen), waarbij klei en fijn zand wordt afgewisseld. In de lagen van boven Eoceen tot Mioceen komt grover (fijn tot middelgrof) zand voor. In het Plioceen is er opnieuw overwegend fijn zand en voor het Quartair is dit sterk variabel.
Sedimenten in de Ieper Groep, die o.a. de Kortrijkse Klei bevat, hebben doorgaans een mediane korrelgrootte kleiner dan 100 μm. De boven Eocene eenheden en Oligocene zandige eenheden hebben een fijn zandige tot gemiddelde korrelgrootte met mediaan tussen 100 en 200 μm, met uitzondering van het grovere estuariene Kerkom Zand van de Borgloon Formatie en grovere facies van de Brussel Formatie, met mediane korrelgroottes tot meer dan 300 μm. De afzettingen van het Neogeen zijn beduidend grover met de grofste zanden in de boven Miocene Diest Formatie, waar de mediane korrelgrootte ongeveer 250 μm bedraagt, met waarden tot bijna 400 μm. In het Plioceen neemt de korrelgrootte weer wat af met een mediaan tussen 100 en 200 μm. De afzettingen van het Quartair zijn zeer variabel, te verklaren door het fluviatiele/eolische/continentale karakter van deze afzettingen.
Op basis van het glauconietgehalte van de onderzochte stalen valt voornamelijk de groep van de Neogene formaties op. Deze staan algemeen bekend als de Neogene groene glauconiethoudende zanden (Vandenberghe & Louwye, 2020) (Bolderberg, Berchem, Diest, Kasterlee, Kattendijk, Lillo) en de analyses uitgevoerd voor dit project bevestigen de beduidend hogere glauconietgehaltes van deze eenheden met percentages van 10 tot meer dan 60 %. De hoogste glauconietgehaltes worden aangetroffen in de onder Miocene Berchem Formatie. Ook in het Paleogeen en Quartair bevatten verschillende eenheden glauconiet maar het gehalte is daar doorgaans lager dan 10 %.
Het anorganisch koolstofgehalte is in het algemeen laag met waarden kleiner dan 1 %. Deze waarden geven het koolstofgehalte weer, niet het totale kalkgehalte (CaCO3), dat hoger ligt. Het verhoogde kalkgehalte in de Gembloux Formatie is gerelateerd aan de kalkrijke Quartaire leem (Gullentops et al., 2001). Verhoogde kalkgehaltes in de Neogene en Paleogene eenheden zijn doorgaans gerelateerd aan het voorkomen van kalkige (micro)fossielen en schelpenbanken. De meest opvallende kalkvoorkomens in het Paleogeen en Neogeen worden gemeten in de Neogene formaties van Lillo en Berchem, en de Paleogene Lede, Brussel en Kortrijk formaties. De hoogste waarden (> 10 %) werden, vanzelfsprekend, gemeten in de mergel en het krijt van de Maastricht Formatie.
Het organisch koolstofgehalte is in bijna alle gemeten stalen laag met waarden lager dan 0.4 %. In de vroeg Quartaire Weelde Formatie werden wel waarden rond 1 % gemeten, gerelateerd aan het voorkomen van veen in die eenheid (Gullentops et al., 2001). Ook in de Oligocene Boom Formatie werd een waarde van 1 % gemeten, door organisch materiaal aanwezig in deze mariene klei (Vandenberghe et al., 2014). Een sterke uitschieter, 9 %, werd gemeten in het Hoogbutsel Facies van de Borgloon Formatie. Dit is een zeer fossielrijk facies dat afgezet werd in een lagunaire moerasomgeving (Glibert & De Heinzelin, 1952), die het hoge gehalte organisch materiaal verklaart. Ook in de Kortrijk en Mons-en-Pévèle formaties van de Ieper Groep, in het Zonderschot Lid van de Berchem Formatie en in het chocoladebruine facies van het Kerkom Lid worden lokaal licht verhoogde waardes aangetroffen.